Verdrag van Malta

Het Europese verdrag in het kader van de bescherming van het archeologisch erfgoed (het Verdrag van Valletta of Malta, 1992) is in 1998 door de Eerste en Tweede Kamer goedgekeurd. Dit leidde in 2007 tot de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) die per 1 september van dat jaar van kracht ging.
Deze wet geeft aan welke wetten gewijzigd dienen te worden, met als belangrijkste wet de Monumentenwet 1988. Daarnaast zijn enkele andere wetten op verwante werkvelden aangepast, zoals de Ontgrondingenwet, de Woningwet en de Wet ruimtelijke ordening (WRO). De nieuwe wetgeving beoogt dat zo goed en zo vroeg mogelijk rekening wordt gehouden met de aanwezigheid óf mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem. De WAMZ heeft twee belangrijke uitgangspunten:

Het streven naar behoud van archeologische resten in hun originele context in de bodem (‘in situ’), of als dit niet mogelijk is door opgraving en documentatie (‘ex situ’).
Degene die nieuwe ontwikkelingen met mogelijk bodemverstorende ingrepen tot stand brengt, is verantwoordelijk voor de inventarisatie en een verantwoord beheer van de bekende en te verwachten archeologische resten in de ondergrond (‘de verstoorder betaalt’).

De nieuwe wetgeving beoogt ook een decentralisatie van taken van de landelijke en provinciale overheden naar de lokale overheden. Het versterkt daarmee de rol van bevoegde overheid voor gemeenten, die mede verantwoordelijk worden voor de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden op hun grondgebied.